Senegal

“Bonjour miss Belgique, zegt hij met zijn bas profond africain.
Telkens weer en steeds bestemd voor iedere vrouw in de buurt. Ik sta achter het onthaal dus het is voor mij bestemd. En voor mijn collega naast me, als ze wil.
Onze koppigste.
Ik glimlach, mijn collega wendt zich van hem af en zou bijna kokhalzen.
Ze leest hem toch de les over zijn chronisch te laat komen of helemaal niet komen. Meestal is het dat. Want Elhadj is een ontkenner. Een DieHard ontkenner, zelfs. Tot nu toe: de Opperontkenner. Hij zou de voorzitter van een ‘ik-doe-niet-mee-aan-ziekte’-lotgenotengroep kunnen zijn. Moeten zijn.
Hij komt uit een ander leven en een ander werelddeel. Het is daar warmer. Mensen gaan trager. De lucht gaat trager, ademen gaat trager, reageren gaat trager, energie dient gespaard te worden voor échte zaken, dingen die van levensbelang zijn. Dat is niet zijn ziekte, die bovendien zo mooi onder controle te houden is.
Dodelijke, hopen onfraaie, ontmannelijkende complicaties.  Daarom komt hij langs, meestal twee of drie maanden later dan afgesproken was.
Hij voelt het.
En mijn collega voelt het ook: haar grenzen van zorg worden bereikt en overschreden.
Ze voelt zich gefrustreerd, geërgerd en niet serieus genomen en ‘kan niets voor hem doen op deze manier’. Daarbij is Elhadj macho eerste klasse. Niet iedereen kan dat hebben.
Ik wel. Ik kan het grappig vinden. Z’n eeuwige, afgezaagde voorkomen, als een opgeblazen kikker die iets wil duidelijk maken. (Wat dan ook? Dat hij de grootste van de kudde is? De sterkste, de zwartste, de oudste? Dat hij een nieuw vrouwtje verdient?)
Als hij langskomt, te laat, is Elhadj ook letterlijk opgeblazen: zijn kleur is flets, zijn wangen zijn rond en zijn buik is dikker. Zijn ogen staan flauw, hij is ‘opgezet’ en hij voelt zich niet goed. Maar niemand zal dit geweten hebben. Ook mijn collega niet die zal vragen hoe het gaat. Als ze zin heeft.
“Très bien”, is zijn  antwoord.
Als het aan haar lag, lag hij buiten.
Ik heb een zwak voor deze ‘oude’ thuisloze Afrikaan, een pater familias die er geen is. Van mij mag hij zijn theater en pose volhouden, als dat hem waardigheid en veiligheid geeft. En hem beschermt tegen erger, hem doet overleven.
Ik weet het. Hij weet dat ik het weet. Ik laat hem doen en hij apprecieert het dat ik hem laat doen. Een stille draad tussen ons.
Mijn iets oudere en grenzeloze collega redt mijn jonge en zachte collega en haalt Elhadj mee binnen in haar kabinet.
Voor een korte risicoanalyse, met milde dreigementen en overdreven (maar niet reële) prognoses richting zijn trots: zijn potentie. En als laatste wat oplapwerk: medicatie waarmee hij een maandje toekomt en die hij pas na twee, drie maanden weer zal laten komen voorschrijven. Als hij het voelt.